nieuws

Hoe ga je om met collega’s die te dicht op je zitten?

Taal en communiceren

Of het nu over kansloze kantoorplanten gaat, stinkende collega’s of het gevecht om de flexplek; Japke-d. Bouma heeft er een mening over. En die verkondigt ze op geheel eigen wijze in haar boek Survivalgids voor de kantoorjungle. Een fragment uit het boek. 

Hoe ga je om met collega’s die te dicht op je zitten?

Veruit de meeste vragen die ik krijg in mijn kantoorjunglepraktijk, gaan over de nabijheid van collega’s. Hoe ermee om te gaan dat iedereen zo dicht op elkaar zit in de kantoortuin? Dat je je de hele dag ergert aan collega’s die kauwgom kauwen, allemaal zaken tegen je aan gaan zitten houden, neuspeuteren, veel te hard lachen, ‘niezen met spetters’ en nogal stinken terwijl jij PROBEERT TE WERKEN.
Ze hebben alles al geprobeerd, zeggen ze er dan vaak bij. Van koptelefoons, schotten tussen de bureaus en vriendelijk afwijzend glimlachen tot ontploffen, ijzig kijken en chloroform. Maar niets helpt tegen de constante terreur van collega’s. Of ik daar iets op weet.

Dat is nogal een vraag, lieve vrienden. Zeker aan mij, de hoeder en omarmer van het kantoorgebeuren. Het is als vragen aan de pastoor wanneer de kerk kan worden afgebroken. Aan de oppasser wanneer de dieren weer mogen worden vrijgelaten. Alsof al het moois wat er groeit en bloeit in een kantoortuin moet worden uitgeroeid.

De nabijheid van collega’s ís de kantoortuin.

Daarom wil ik iets strenger zijn dan normaal en geen vrijblijvende tip maar een dwingend advies geven, namelijk: we stoppen met klagen over de kantoortuin. We wónen in die tuin, dus gaan we er ook in léven. We hebben A gezegd door ons salaris te accepteren, nu zeggen we B met ons commitment.

We stoppen dus met dromen van een eigen kantoor, maar gaan juist díchter bij elkaar zitten. Een paar vierkante meter is genoeg voor honderd man. Samen op een stoel. Schermen delen. Om de beurt erop. We bouwen een grote opend keuken met een barretje en een frituurpan. Recepten uitwisselen, samen koken. We zetten geen schotten tussen de pc’s, maar sanseveria’s. Geen koptelefoons maar gehoorapparaten en versterkers. We dragen geen truien meer, maar gaan bij elkaar op schoot zitten. We ergeren ons niet meer aan die neuspulkende collega, maar eten zélf zijn neus leeg. We wassen elkaars sokken en houden pyamafeestjes. Slaapzakken uitrollen en luchtbedden oppompen.

En al die kantoorruimte dan, die we niet meer nodig hebben? Precies. Al die kantoorruimte. Die hebben we dan dus niet meer nodig. Niet bang voor zijn. In Nederland krijgen honderden kerken een nieuwe bestemming, zo gaat het ook met de kathedralen van de kantoorjungle: we ontmantelen die handel en maken er urban hostels in, ijsbanen, zwembaden en moestuinen. Biljartverenigingen. Curling. Koeien en paarden.

Maar bovenal vergeten we het idee dat er gewerkt moet worden op kantoor. Laat het los. Kantoor is niet voor werken. Ja, hooguit een paar uurtjes per dag: van ’s ochtends zes tot halfnegen. En na zeven uur ’s avonds. De rest van de tijd is het gezelligheid geblazen.

Eigenlijk hoef je maar twee dingen te onthouden over kantoor: 1) iedereen doet maar wat en 2) werken doe je in je eigen tijd. Als je het niet af krijgt, neem je maar vakantie. Als je dat helder hebt, kan het grote genieten beginnen.

Werken doe je maar thuis.

Nieuwsgierig naar meer?

Management Support interviewde Japke voor het eerste nummer van 2016. Het januari/februari-nummer is vanaf vandaag beschikbaar.

Illustratie Tomas Schats

Reageer op dit artikel