blog

Wat bedoel je nou precies?

Taal en communiceren

“Wiens brood men eet, diens woord men spreekt” – ofwel: degene van wie je afhankelijk bent, of bij wie je je geld verdient, geef je gelijk. Je past je aan. Misschien verklaart zo’n oudhollandse uitdrukking al voor een groot deel het moderne fenomeen ‘kantoortaal’, het jargon van werknemers die acht uur per dag opgesloten zitten […]

“Wiens brood men eet, diens woord men spreekt” – ofwel: degene van wie je afhankelijk bent, of bij wie je je geld verdient, geef je gelijk.
Je past je aan.
Misschien verklaart zo’n oudhollandse uitdrukking al voor een groot deel het moderne fenomeen ‘kantoortaal’, het jargon van werknemers die acht uur per dag opgesloten zitten in kantoortuinen en er een soort eigen woordenboek op nahouden, doorspekt van kreten als ‘erin fietsen’, ‘sparren’, ‘aftikken’ en ‘terugkoppelen’. Het schept toch een band, die taal.

Jargon is natuurlijk van alle tijden: in werkplaatsen, op sportvelden, in voetbalkantines en in fabrieken zijn nu eenmaal woorden nodig om snel een beweging of een strategie duidelijk te maken. Niks mis mee. Het versnelt en verduidelijkt de communicatie enorm, en daar is iedereen mee geholpen. Niet alleen de trainer, ook de voetballer zal ik maar zeggen. (Behalve als je Van Gaal heet misschien.) Maar langzaam maar zeker druppelen die eigenaardige woorden ook door naar een wereld die er niets maar dan ook niets mee te maken heeft: die van de Kantoormensch. Ik dacht dat ik me er niet schuldig aan maakte, maar waar je mee omgaat, daar word je mee besmet dus zelfs mijn onschuldige vraag ‘Zullen we even gaan zitten?’ schijnt er al een voorbeeld van te zijn, want feitelijk bedoel ik natuurlijk ‘Zullen we overleggen?’

Heeft verzet zin? Lees de tegengestelde oordelen hierover van taalspecialisten Jan Kuitenbrouwer en Carien Overdijk in het artikel over kantoortaal in het juli/augustusnummer. Wellicht word je alleen wel raar aangekeken als je te ver doorschiet en het thuis óók gaat hebben over een ‘bilateraaltje’ met je partner die avond, een ‘win-win’ door je kinderen je auto te laten wassen of de vraag of je partner de boodschappen voor het weekend al ‘gefaciliteerd’ heeft.

Ik ben een sterk voorstander van duidelijkheid, van concrete woorden. Zodra iemand het tegen mij heeft over input en output, dan zie ik een computer voor me en een stroomdiagram. Bij aanvliegen zie ik de verkeerstoren van Schiphol voor me, compleet met feeëriek verlichte landingsbaan. Bij woorden als communiceren en faciliteren blijft het helaas té lang blanco. Liever hoor ik: ideeën, prestaties, uitleggen, uitspreken, regelen. En waar is het woordje ‘doen’ gebleven? Dat ga ik dóén! Bij wolligheid in taal en onduidelijkheid heb jij als managementondersteuner dé rol van vertaler, degene die een kritische noot kan plaatsen. Die simpelweg het lef heeft om te vragen:

‘Maar Frans-Willem, wat bedóél je nou eigenlijk precies?’

Reageer op dit artikel