vraag & antwoord

Wanneer gebruik je ‘hun’ en wanneer ‘hen’?

Taal en communiceren

Je gebruikt ‘hun’: Als het een meewerkend voorwerp is zonder voorzetsel: ‘De manager gaf hun het rapport’, ‘Het valt hun niet op’, ‘Het is hun gelukt’. Bij een bezittelijk voornaamwoord: ‘Hun banen staan op de tocht’. Niet na voorzetsels.Je gebruikt ‘hen’: Na voorzetsels: ‘Het rapport ligt bij hen’, ‘Ik heb het aan hen gegeven’. Als het […]

Je gebruikt ‘hun’:

  • Als het een meewerkend voorwerp is zonder voorzetsel: ‘De manager gaf hun het rapport’, ‘Het valt hun niet op’, ‘Het is hun gelukt’.
  • Bij een bezittelijk voornaamwoord: ‘Hun banen staan op de tocht’.
  • Niet na voorzetsels.

Je gebruikt ‘hen’:
  • Na voorzetsels: ‘Het rapport ligt bij hen’, ‘Ik heb het aan hen gegeven’.
  • Als het een lijdend voorwerp is. Of de zin lijdend is kun je uitzoeken door deze passief te maken, herformuleer de zin met gebruik van het werkwoord ‘worden’. Het lijdend voorwerp (hen) wordt dan onderwerp (zij). ‘Het verbaast hen’ > ‘Zij worden verbaasd’.

Als de zin toch nog vreemd klinkt of als je twijfelt, kijk dan of je niet beter ‘ze’ kunt gebruiken. Bijvoorbeeld ‘Vraag het ze’ in plaats van ‘Vraag het hun’. Bij verwijzingen naar dieren en zaken kun je goed ‘ze’ of ‘die’ gebruiken.

Reageer op dit artikel