vraag & antwoord

Wat is juist: ‘wij gaan ervan uit’ of ‘wij gaan er vanuit’?

Taal en communiceren

Er is hier sprake van woordcombinaties met een voorzetsel. Dan gelden de volgende regels: -Je schrijft een voorzetsel aan een voorafgaand woord vast als het een ‘los’ voorzetsel is en niet hoort bij een werkwoord of zelfstandig naamwoord.  -Staat er geen zelfstandig naamwoord achter het voorzetsel, dan schrijf je het voorzetsel vast aan het bijwoord […]

Er is hier sprake van woordcombinaties met een voorzetsel. Dan gelden de volgende regels:
-Je schrijft een voorzetsel aan een voorafgaand woord vast als het een ‘los’ voorzetsel is en niet hoort bij een werkwoord of zelfstandig naamwoord. 
-Staat er geen zelfstandig naamwoord achter het voorzetsel, dan schrijf je het voorzetsel vast aan het bijwoord dat ervoor staat (er, daar, hier, waar): zij woont daarboven.
– Als een voorzetsel niet bij een werkwoord hoort, dan schrijf je het los van dat werkwoord. En, als er een voorzetsel of bijwoord voorstaat, dan schrijf je het vast aan dat woord: Weet jij hoe dat eruit ziet?
-Het wordt ingewikkelder als er twee voorzetsels/bijwoorden in de buurt staan van een werkwoord. Als het voorzetsel dat deel uitmaakt van het werkwoord voor dit werkwoord staat, komt het eraan vast. Staat het voorzetsel erachter, dan is dit een apart woord: Zij weet goed dat haar examen ervan afhangt (of Het hangt ervan af).
-Als een voorzetsel niet bij een werkwoord of ander woord hoort, combineer je dit voorzetsel met een andere voorzetsels/bijwoorden: Zij zijn eronderdoor gegaan. 
Hieruit kun je de volgende conclusie trekken: ‘uitgaan van’ is het hele werkwoord. Dat betekent dat ‘uit’ aan het werkwoord vast zit en ‘van’ niet. ‘Van’ wordt dus gekoppeld aan het andere bijwoord en ‘uit’ niet. Het wordt dan: Ervan uitgaan. Of in jouw voorbeeld: wij gaan ervan uit dat …

Reageer op dit artikel