checklist

Combinatie voorzetsel met een zelfstandig naamwoord: aan elkaar of los?

Geen categorie

Wat is juist: Zij had haar zoontje achterop haar fiets, of Zij had haar zoontje achter op haar fiets? En: Hij woont vlakbij het strand, of juist Hij woont vlak bij het strand?

De regel luidt: staat er geen zelfstandig naamwoord achter het voorzetsel, dan schrijf je het voorzetsel vast aan het woord dat ervóór staat.

Enkele voorbeelden:
Zij had haar zoontje achterop.
Hij woont vlakbij.
De datum staat bovenaan.
Hij woont daarboven.
Het staat erin, hierin, daarin.
Waarin staat het? 

Staat er wél een zelfstandig naamwoord achter het voorzetsel en hoort het voorzetsel daarbij, dan schrijf je het voorzetsel los van het woord dat ervóór staat. 

Enkele voorbeelden:
Zij had haar zoontje achter op de fiets.
Hij woont vlak bij het strand.
De datum staat boven aan de bladzijde.
Daar boven het schilderij zit een vlieg.
Hij staat daar in zijn eentje. 

Betekenisverschil tussen woorden zonder en mét een spatie
Er van uit gaan / ervan uitgaan / er vanuit gaan
Bijvoeglijke bijzin: beperkend of uitbreidend
Boek: Hoe spel je dat?
Training: Spelling en taaltips

Reageer op dit artikel