Wanneer gebruik je ‘hun’ en wanneer ‘hen’?

Je gebruikt ‘hun’: Als het een meewerkend voorwerp is zonder voorzetsel: ‘De manager gaf hun het rapport’, ‘Het valt hun niet op’, ‘Het is hun gelukt’. Bij een bezittelijk voornaamwoord: ‘Hun banen staan op de tocht’. Niet na voorzetsels.Je gebruikt ‘hen’: Na voorzetsels: ‘Het rapport ligt bij hen’, ‘Ik heb het aan hen gegeven’. Als het

Dit vind je misschien ook interessant