Voorbereiden ‘voor’ of voorbereiden ‘op’?

Sommige werkwoorden hebben vaste voorzetsels. Voorbereiden is zo’n werkwoord. Je bereidt je ‘op’ iets voor. Nooit ‘voor’.Welk voorzetsel je kiest bij voorbereiding ligt ook aan de context van je zin: ‘De voorbereiding van een feest.’ ‘Haar voorbereiding op het examen.’

Dit vind je misschien ook interessant